Hoe een newbi leert dat de tegenstelling man-vrouw niet bestaat.

Hoe een newbi leert dat de tegenstelling man-vrouw niet bestaat.

Zoals je in mijn eerste stuk (link) kunt lezen ben ik een newbi van middelbare leeftijd. Ik had mijn coming out op mijn 49ste en ben aan het ontdekken wat dit voor mijzelf betekent. Ik had me voorgenomen om te schrijven over mijn zoektocht en om jou, lezer, daarin mee te nemen.

En hoe werkt dat bij mij? Nou, zelf er op uitgaan en ervaring opdoen vind ik spannend. Dan wil ik eerst meer weten. Dus ging ik maar eens op onderzoek uit. Ik praatte met mensen, ik deed mee met meetings en workshops, ik las boeken, keek films, video’s, luisterde podcasts. Er is zoveel te leren, zoveel waar ik nooit eerder stil bij stond. Ik zoog als een spons alles op. Maar soms is een volle spons verzadigd. Voor mij was al die nieuwe informatie even een tijd teveel.

Ik heb de spons weer leeg geknepen in een potje, en dat potje goed gesloten bewaard. Genoeg om later verder te onderzoeken.

In het potje zit onder andere een artikel over seksuele fluïditeit. Seksuele fluïditeit is het vermogen om, ongeacht de eigen seksuele oriëntatie, al dan niet tijdelijk, seksueel ontvankelijk te zijn voor personen die buiten die eigen seksuele oriëntatie vallen. Denk bijvoorbeeld aan de Amerikaanse actrice Anne Heche, die in de jaren 90, na eerder alleen relaties met mannen te hebben gehad, een relatie kreeg met de comédienne/presentatrice Ellen DeGeneres, en daarna weer met een man. Seksuele fluïditeit is een eigenschap die meer bij vrouwen voorkomt dan bij mannen, zo is onderzocht. Dat fascineert me. Hoezo, denk ik dan. Zou het kunnen dat mannen net zo fluïde zijn als vrouwen, maar dat dit in onderzoek nog niet goed naar voren komt? Zou het kunnen zijn dat mannen minder open zijn over hun fluïditeit? In onze mannenmaatschappij waarin de male gaze nog steeds alom aanwezig is, wordt minder verbaasd gedaan als twee vrouwen in een bar staan te zoenen, dan wanneer twee mannen dat doen. Om maar eens wat te noemen.

Maar daarover later meer. Wat in het potje zit…

Wat me ook fascineert, is hoe we allemaal geconditioneerd zijn in de man-vrouw rolpatronen van onze hetero normatieve maatschappij. Dit is iets wat me al van kinds af aan bezig houdt, waar ik toch ook mee worstel. Dat jongens alleen broeken dragen, maar meisjes ook jurken. Dat jongens stoer moeten zijn en meisjes lief. Dat als een jongen en een meisje verliefd op elkaar worden, ze trouwen en kinderen krijgen. Dat het niet mannelijk is om te twijfelen of je emoties te tonen, om zacht en zorgzaam te zijn, en niet vrouwelijk om stellig en doortastend, ambitieus en competitief te zijn. Ik ben het namelijk allemaal: stellig, twijfelend, doortastend, zacht, competitief, zorgzaam, emotioneel én ambitieus. En nog veel meer.

Het binaire man-vrouw denken als instrument voor onderdrukking.

Op het Instagram account van de queer activist Alok Vaid-Menon staat een razend interessant interview (link) met dr. Kyla Schuller, professor in Vrouwen-, Gender- en Seksualiteitsstudies aan de Rutgers University in New Brunswick, VS. Schuller schreef het boek ‘The Biopolitics of Feeling’ (link), en in dit interview legt ze haarfijn uit hoe 19e eeuwse rassenwetenschappers ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ als een binaire tegenstelling definieerden, en hoe deze tegenstelling als een instrument diende voor witte overheersing.

Ja, dat lees je goed, Schuller betoogt dat de tegenstelling man-vrouw een racistisch construct is. Seksisme uit racisme. Die had ik ook niet zien aankomen.

In het kort is dit haar stelling:

In 1859 verscheen het boek ‘On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life’ van Charles Darwin. In het Nederlands: ‘Over het Ontstaan van Soorten door Natuurlijke Selectie, of het Behoud van Bevoordeelde Rassen in de Strijd om Leven’. De evolutietheorie van Darwin werd na het verschijnen van dit boek vrij snel algemeen aanvaard.

Goed om je te realiseren: dit was in de hoogtijdagen van de slavernij. Andere rassenwetenschappers en ook politici gingen met de theorie aan de haal op een manier die Darwin (waarschijnlijk?) helemaal niet bedoeld had.

Zij constateerden dat vooral in de westerse maatschappij een duidelijke onderscheid te zien is tussen man en vrouw en stelden dit onderscheid ook voor als een ideaal dat zo ver mogelijk diende te worden doorgevoerd. Een man is ratio en zijn rol is in de wereld. Een vrouw is gevoel en haar rol is thuis. Dat de witte mens als enige zo’n duidelijk aanwijsbaar onderscheid kent in tegenovergestelde mannelijke en vrouwelijke persoonlijkheids- en karaktereigenschappen, gedrag en rolpatronen werd gezien als een bewijs dat de witte mens de meest geëvolueerde mens is. De witte mens zou bovendien nog steeds verder door evolueren, terwijl de verschillende soorten gekleurde mens alle op een evolutionair doodlopende zijtak zouden zijn beland, waar ze zich niet verder ontwikkelen.

Door de witte mens op deze manier bovenaan de evolutionaire ladder te plaatsen, werd witte overheersing gelegitimeerd. Het binaire man-vrouw denken als instrument voor onderdrukking.

Om een paar redenen vind ik dit zo’n fascinerend stukje kennis.

Ik realiseer me dat het hele onderscheid tussen man en vrouw en hoe zij dienen te zijn en zich te gedragen, dus niets meer is dan een bedenksel, een construct, dat vooral bedoeld is om er voor te zorgen dat zij die invloed en macht hebben (lees: rijke witte cis gender hetero mannen) hun positie behouden. En als het maar een bedenksel is, dan is er eigenlijk helemaal geen norm, en dus ook geen afwijking. Dan is het dus oké om als man te twijfelen of je emoties te tonen, om zacht en zorgzaam te zijn, en dan is het oké om als vrouw stellig en doortastend, ambitieus en competitief te zijn.

Schullers stelling dat de tegenstelling man-vrouw een racistisch construct is, is voor mij een bevestiging in mijn overtuiging dat LHBTQIA+ emancipatie, feminisme, anti-racisme, ja álle emancipatie bewegingen samen moeten optrekken. Omdat de onderdrukking van de ene groep een middel voor de onderdrukking van de andere groep is.

En dat zelf er op uitgaan en ervaring opdoen? Vind ik nog steeds spannend. Maar dat ik oké ben zoals ik ben, met dat hele rijtje van hierboven, los van welk construct dan ook, helpt wel.

Hoe een newbi leert dat de tegenstelling man-vrouw niet bestaat.

Even voorstellen: Marijn Hermanus

In de serie ‘nieuwe bi+ redacteuren stellen zich voor’: Marijn Hermanus. Lees zijn verhaal!

Negenenveertig was ik. Vrouw en twee kinderen, eigen huis, vaste baan, fijne vrienden, leuke hobby’s. Helemaal volgens het boekje. Ik deed alles goed, ik was doodgewoon en hoorde er bij.

Ik had er ook hard voor gewerkt. Hoewel mijn leven altijd een zoektocht was – wie ben ik eigenlijk en wat wil ik eigenlijk, ik wist het nooit – had ik dit toch maar mooi voor elkaar gebokst. Ondanks mijn nooit afgemaakte studie rechten, ook maar ooit begonnen bij gebrek aan beter, had ik na wat omzwervingen toch best een mooie baan gevonden: bij een groot landelijk deurwaarderskantoor de specialistische maatwerkzaken voorbereiden, de krenten uit de pap. Gerespecteerd vraagbaak voor vele collega’s.

Ook in de liefde waren de dingen uiteindelijk op hun plek gevallen. Een mooie, lieve, slimme, sterke vrouw met een heerlijk gevoel voor humor, die óók nog eens voor mij koos, én net als ik dolgraag kinderen wilde – één van de weinige dingen die altijd wél heb geweten – wat wilde ik nog meer!? Die kinderen kwamen er gelukkig ook, twee prachtexemplaren.

Ooit, toen ik veel jonger was, had ik midden in een dampend drukke kroeg staan zoenen met een man. Hij was een vage vriend en het begon in een impulsief moment, voortgekomen uit een half opgevangen toespeling, voor de grap, uit bravoure, om de aanwezigen te shockeren, maar het duurde net even te lang, in ieder geval voor mij, om mezelf wijs te kunnen maken dat het niks betekende. Dat laatste heb ik toch nog lang volgehouden. Ik was niet homo, dat mag niet, dat kan niet, ik werd immers altijd verliefd op vrouwen, had notabene een vrouw. En toch fantaseerde ik vrij regelmatig over hoe het zou zijn om met een man te zijn.

Dus ergens knaagde het. Onbewust was er altijd twijfel: is dit allemaal echt wat ik wil, en zo ja waarom dan? Voor wie doe ik dit eigenlijk? Waarmee ik overigens mijn keus voor háár niet onderuit wil halen. Toen, in die fase van mijn leven, heb ik met heel mijn hart voor haar gekozen. Maar ik ging voorbij aan iets dat in míj niet goed zat.
Regelmatig vluchtte ik een weekend met mijn maten naar een festival, en dan kon ik er weer een tijd tegenaan, dan kon ik dat andere negeren. Dat bestond alleen in mijn fantasie. En toen ik de veertig was gepasseerd en de onrust toenam, kon ik dat mooi afdoen als een midlife crisis. Dit moest gewoon overwaaien.

Dat deed het natuurlijk niet. En terwijl het leven doordenderde en mijn vrouw en ik ons probeerden staande te houden in de mangel van het gezinsleven met beide een drukke baan, ondertussen zo goed mogelijk onze jonge kinderen alle liefde, veiligheid, ruimte en vrijheid gevend, groeiden wij langzaam maar zeker uit elkaar. Dat wisten we, dat hebben we geprobeerd te keren, maar toen het niet meer ging, ging het niet meer. En nadat we tegen elkaar hadden uitgesproken dat het punt was bereikt dat we in het belang van de kinderen nu beter uit elkaar konden gaan, ging er bij mij een deurtje open. Het eerste deurtje.

Ik realiseerde me voor het eerst in mijn leven dat een eventuele nieuwe liefde, zou die vroeg of laat weer op mijn pad komen, niet per sé een vrouw hoefde te zijn. Dat mocht ook best een man zijn. En als dat dan een man zou zijn, dan mocht ik vrouwen ook nog steeds fantastisch vinden. Waarom zou dat niet mogen? En die gedachte maakte me onverwachts heel vrolijk. Het deed me herinneren dat ik mijn hele leven al vraagtekens zet bij de gebruikelijk mannetje-vrouwtje normen en rolpatronen. Het maakte me er van bewust dat ik mezelf enorm had tekortgedaan. En op wel meer vlakken. Dat moest maar eens veranderen.

Eerste stap: mijn coming out. Eerst bij haar. Ze reageerde goed, zei dat ze niet heel verbaasd was, dat er voor haar wel wat kwartjes vielen. Bij vrienden en familie viel het gelukkig ook goed. Wat een bevrijding, wat een opluchting. Dit voelde heel goed, dit klopte.
We zijn uiteindelijk in harmonie uit elkaar gegaan en gaan nog steeds goed met elkaar om.

Op mijn werk liep ik ondertussen al een tijd op mijn tenen. Was het ook wel wat ik echt wilde? De bewustwording rond mijn seksualiteit zette ook dat op losse schroeven. Lang verhaal kort: steeds slechter functioneren mondde uit in een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van het dienstverband ‘wegens tussen partijen gerezen verschil in inzicht’.
Persoonlijk ging het ook slecht. Tijd voor zelfonderzoek. De therapeut had vrij snel duidelijk waar het vandaan kwam dat ik nooit wist wat ik wilde. Ik vind het wat te privé om dat hier uit de doeken te doen, maar ik heb het kennelijk geïnternaliseerd en er lekker mezelf mee tegengehouden en gesaboteerd.

En daar zat ik dan. Relatie kwijt, baan kwijt, huis kwijt. Eén ding was ik gelukkig niet kwijt, juist niet, beter dan ooit tevoren weet ik nu wie ik ben. Ik ben iemand die veel tegen zichzelf moet zeggen dat het wél mag, dat het wél de moeite waard is om te proberen. En dus zeg ik nu makkelijker nee tegen dingen die niet goed voelen, maar vooral ja tegen dingen die wel goed voelen.

Dus toen Gerrit Jan Wielinga vroeg of ik geïnteresseerd was om te schrijven voor Bi+ Nederland, hoefde ik daar niet lang over na te denken. Ik heb nog veel te onderzoeken en te ontdekken, en ik denk dat ik voor mezelf en anderen veel kan betekenen door er over te schrijven. Ik ben een newbi van middelbare leeftijd, en daar ben ik vast niet de enige in.

Eenenvijftig ben ik nu. Het leven is nog steeds een zoektocht, en dat zal het altijd wel blijven. Soms denk ik: ‘Had ik dit maar geweten toen ik twintig was’. Dan denk ik er maar meteen achteraan: ‘Gelukkig weet ik dit nú, en niet pas op mijn tachtigste’. Laat je dat overigens niet tegenhouden als jij tachtig bent. Het is nooit te laat.